Murjani Kusumobroto: ‘Geen enkele reis Indonesië, maar een retourtje Nederland’

Murjani Kusumobroto (1954, jakarta) thuis in Wageningen, juli 2015

Murjani Kusumobroto (1954, Jakarta)
thuis in Wageningen, juli 2015

Nel van de Peppel en Rachmat Koesoemobroto waren net twee maanden getrouwd toen ze op 6 december 1946 aan boord van Weltevreden stapten, die hen naar Indonesië zou brengen. Na al die uren wachten in een koude loods, was de 24-jarige Nel blij dat ze eindelijk aan boord mocht en in haar hut op bed kon gaan liggen. Ze deelde de hut met Trudy en haar drie kinderen, die getrouwd was met een neef van haar man. Rachmat had een van de weinige hutten kunnen reserveren, omdat hij als leider van het Indonesische reisgezelschap was aangesteld, én omdat Nel zwanger was.

‘Ze verheugden zich echt op hun leven in Indonesië waar hun eerste kind zou worden geboren,’ vertelt dochter Murjani. Via haar neef Winka, die als kleuter  ook de bootreis meemaakte, heeft ze gehoor gegeven aan mijn oproep om het levensverhaal van haar ouders te delen. Thuis in haar woonkamer in Wageningen, toont ze de portretten van haar ouders die aan de muur hangen, samen met andere herinneringen aan haar geboorteland Indonesië. Zelf heeft ze er maar acht jaar gewoond. ‘Helaas werd het een retourtje Nederland voor mijn moeder en voor mij dus een enkele reis Nederland.’

Wageningen

Nel van de Peppel

Nel van de Peppel

Nel en Rachmat leerden elkaar in het begin van de oorlog kennen. De eerste ontmoeting was in een danszaal in Wageningen. Nel woonde toen nog bij haar ouders in het nabijgelegen Bennekom, Rachmat was vanuit Leiden naar Wageningen verhuisd om ter plekke als afdelingshoofd van de Perhimpoenan Indonesia (PI) het verzetswerk van Indonesische studenten te organiseren tegen de Duitse bezetter. Rachmat was destijds verloofd met een andere Nel, namelijk Nel van de Berg. Samen met haar en andere verzetsmensen bracht hij Joodse kinderen van het ene naar het andere onderduikadres. Soms nam hij het oudste zoontje van Trudy mee om geen argwaan te wekken. Uiteindelijk ging het toch mis en werd Nel van de Berg met een aantal kinderen opgepakt. Ze werd later gefusilleerd in Scheveningen. Ook Nel van de Peppel was actief in het verzet, net als haar vader, en zo onderhield ze contact met Rachmat. Terwijl vader Van de Peppel in Bennekom met zijn groep persoonsbewijzen en voedselbonnen vervalste, pendelde Nel als koerierster op de fiets of met de trein heen en weer tussen Bennekom en Amsterdam waar ze een laborantenopleiding volgde. Onderweg was Nel altijd op haar hoede; ze verkleedde zich tussendoor door haar dubbelzijdige jas en tas binnenstebuiten te keren en fietste een blokje om als ze onraad rook. Thuis bij haar ouders waande ze zich veilig en juist daar werd ze samen met haar vader gearresteerd. Beiden werden meteen overgebracht naar Scheveningen, naar de beruchte Oranjehotel gevangenis. Ze overleefden de martelingen en werden uiteindelijk tegelijkertijd vrijgelaten. Hun verzetswerk eindigde toen Nederland het bevrijdingsfeest kon vieren. Maar voor Rachmat en de Perhimpoenan Indonesia ging de strijd door; nu de oorlog tegen het fascisme gewonnen was, richtten zij zich weer op hun strijd tegen het kolonialisme en voor de Indonesische onafhankelijkheid.

Rachmat Koesoemobroto

Rachmat Koesoemobrotonan

Repatriëring en gevangenschap.

Rachmat en Nel hadden sinds de bevrijding vaak over hun toekomstige leven in Indonesië gesproken. Rachmat wilde terug naar zijn vaderland, liefst zo snel mogelijk. Ook de PI drong aan op een snelle repatriëring van Indonesische landgenoten door de Nederlandse overheid. Maar Nederland kampte met een tekort aan schepen en had andere prioriteiten. Na maanden van uitstel en politieke getouwtrek, wist de PI lobby de patstelling te doorbreken. Toen de reisdatum eindelijk was vastgesteld, togen Rachmat en Nel naar het stadhuis om te trouwen. En nu zaten ze met meer dan driehonderd Indonesiërs op de Weltevreden op weg naar Indonesië, naar de onafhankelijke Republiek. Nel wist dat het leven in het nieuwe vaderland niet makkelijk zou zijn, omdat Nederland haar kolonie niet kwijt wilde, maar dat ze midden in een onafhankelijkheidsoorlog terecht zou komen, had ze niet verwacht. Eenmaal in Yogyakarta, sloot Rachmat zich aan bij de Republikeinse strijdkrachten. Als luitenant-kolonel van de luchtmacht was hij ook actief voor de inlichtingendienst. Dat wisten de Nederlanders ook. Toen de oorlog in volle gang was, werd hij door de Nederlanders opgepakt. Hij probeerde nog te ontkennen dat hij Rachmat Koesoemobroto was, totdat een voormalige Nederlandse verzetsman hem joviaal begroette. ‘Hé Rachmat, wat doe jij hier?’ Door die opmerking verdween Rachmat een jaar de gevangenis in. Intussen zat Nel thuis met twee baby’s, een tweeling. Een van de baby’s overleed kort na de arrestatie. Nel verbeet zich. Strijdbaar als altijd, probeerde ze de Nederlandse militairen via een radio-oproep te overtuigen de Indonesische onafhankelijkheid te steunen en hun wapens neer te leggen.

Jakarta

Na de soevereiniteitsoverdracht eind 1949 konden Rachmat en Nel aan de slag met hun eigen toekomst. Ze verhuisden naar de hoofdstad Jakarta waar Rachmat een handelsonderneming startte. Al snel reisde hij de halve wereld over, naar Egypte en het Midden-Oosten om stoffen, beelden en andere waren in te slaan. Nel maakte van haar hobby haar werk; ze opende een juwelierszaak in het prestigieuze Hotel des Indes waar ze zelf ontworpen sieraden van edelstenen verkocht. President Soekarno was een van haar vaste klanten. ‘We waren welgesteld en mijn ouders hadden veel vrienden,’ herinnert Murjani zich, die in 1954, zeven jaar na de tweeling, werd geboren. Moeder Nel was al een paar keer naar Nederland op vakantie geweest. Aan terugkeren naar Nederland dacht niemand. Totdat Soekarno in 1964 aan Rachmat vroeg om als handelsattachee in de net weer geopende ambassade in Den Haag te gaan werken. Dat aanbod konden ze niet afwijzen, en dus vertrokken ze met vijf kinderen naar Nederland. Nel en de kinderen gingen tijdelijk in Bennekom bij haar ouders inwonen totdat ze een dienstwoning in Den Haag zouden krijgen. Zodra dat geregeld was wilde Nel weer gaan studeren, liefst in Engeland. Voor het huishouden en de kinderen hoefde ze niet thuis te blijven, daar zou het huispersoneel wel voor zorgen.

1965

De vermeende communistische staatsgreep op 30 september 1965 in Jakarta haalde een streep door Nels mooie plannen. Rachmat die in de tussentijd voor werkoverleg naar Indonesië was terug gevlogen, dreigde opgepakt te worden en besloot onder te duiken. Het leger maakte fervent jacht op leden van de communistische partij en hun aanhangers; iedereen met linkse sympathieën was bij voorbaat verdacht. In 1967 werd Rachmat alsnog opgepakt en belandde hij uiteindelijk op het gevangeniseiland Buru. Nel wist jarenlang niet waar haar man gevangen zat. Tot 1970, toen hun jongste dochter Murini bij een verkeersongeluk omkwam. Ze was net 14 jaar. Met veel moeite wist Nel met hulp van Amnesty International en het Rode Kruis de verblijfplaats van Rachmat te achterhalen om hem te laten weten dat Murini was overleden. Jaren later, in 1978, verscheen Rachmat ineens in beeld tijdens een tv uitzending van Brandpunt over Buru. Het duurde nog tot 1981 tot het gezin, na zestien jaar weer was herenigd. Voor even. Nel en Rachmat waren uit elkaar gegroeid, ze hadden te lang in een totaal andere wereld geleefd. Dat was snel duidelijk, ook voor de kinderen. De scheiding werd in goed overleg geregeld en Rachmat keerde terug naar Indonesië.

Overlevers

‘Mijn ouders zijn echte bikkels, ze zijn zo sterk. Ze hebben altijd met opgeheven hoofd alle ellende doorstaan,’ zegt Murjani. ‘Ik ben reuze trots op ze allebei.’ Ze is blij dat ze voor haar vader een verzetspensioen in Nederland heeft kunnen aanvragen, zodat hij verzekerd was van een inkomen in Indonesië en dat ze elkaar over en weer konden bezoeken. Haar vader overleed in 1996 op 84-jarige leeftijd. Moeder Nel werd 90 en is pas twee jaar geleden gestorven. Ook zij kon, mede dankzij haar verzetspensioen, van haar oude dag genieten. ‘Dat had ze wel verdiend, net als mijn vader,’ vindt Murjani. De laatste jaren, toen moeder Nel wegens gezondheidsproblemen bij haar in huis woonde, vertelde ze steeds meer over die oorlogsjaren in Nederland en Indonesië. Over de goede tijden en de slechte tijden. ‘Ze hebben zoveel meegemaakt. Ze zijn allebei vechters en overlevers.’

Winayaka Djoijoadiningrat: ‘We waren bijna verzopen’

Winayaka was nog een kleuter toen hij met zijn moeder Trudy Vervoort, zijn broer en zusje eind 1946 aan boord van de Weltevreden naar Indonesië vertrok. Van de bootreis kan hij zich weinig herinneren, behalve dan die verschrikkelijke storm in de Golf van Biskaje. Die storm staat in zijn geheugen gegrift, net zoals bij de andere passagiers, zoals Dolly, Miny, Annie en Betsy, de hoofdpersonen uit ‘Enkele reis Indonesië’. ‘We waren bijna verzopen,’ vertelt Winayaka in zijn woonkamer in Utrecht. ‘De koffers schoven van links naar rechts door de hut, iedereen was ziek en moest overgeven, overal lag braaksel.’

Winayaka, verkleed als Canadese soldaat, Leiden 1945

Winayaka, verkleed als Canadese soldaat, Leiden 1945

Winayaka, thuis in Utrecht, 2015

Winayaka, thuis in Utrecht, 2015

Moeder en kinderen hadden nog geluk; ze beschikten als een van de weinigen over een hut. Ze deelden de hut met tante Nel, die zwanger was van haar eerste kind. Nel’s man, Rachmat Koesoemobroto, was als transportleider verantwoordelijk voor de groep van driehonderd Indonesiërs aan boord. Winayaka’s vader, Abdulmadjid Djoijoadhiningrat, was niet aan boord. Hij zat al ruim een jaar in Indonesië.

Als veelbelovende Indonesische jurist was Abdulmadjid door de Nederlandse regering in september 1945 als ambtenaar naar de archipel gestuurd om het overheidsapparaat te versterken. Pas na aankomst hoorde hij dat Soekarno en zijn oude leermeester Hatta op 17 augustus de onafhankelijkheid hadden uitgeroepen. Abdulmadjid was een uitgesproken Indonesisch nationalist en activist, die al vanaf begin jaren twintig streefde naar onafhankelijkheid. Als vooraanstaand lid van de Perhimpoenan Indonesia (PI), de Indonesische Vereniging hoorde hij tot de nationalistische voorhoede in Nederland en was hij in 1927 zelfs een keer opgepakt ‘wegens opruiing tegen de staat’. Vanwege de fascistische dreiging besloot de PI het onafhankelijkheidsstreven tijdelijk terzijde uit te stellen om samen met Nederland de democratie te beschermen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Abdulmadjid met de PI actief in het verzet. Eenmaal in Batavia/Djakarta kon hij zich weer wijden aan de Indonesische zaak en besloot hij zich aan de zijde van de republikeinen te scharen. Op het moment dat zijn gezin op 1 januari 1947 in de haven van Tanjung Priok aan wal ging, was Abdulmadjid al lid van de Republikeinse regering, als staatsecretaris van Sociale Zaken.

Onafhankelijkheidsstrijd

In de haven stond al een stoomtrein te wachten die de groep Indonesiërs naar de Republikeinse hoofdstad Yogyakarta zou brengen, dwars door Java. Voor moeder Trudy en de kinderen was het de eerste kennismaking met hun nieuwe vaderland. Winayaka vond het prachtig; overdag zag hij eindeloze rijstvelden, ravijnen en vulkanen en ‘s nachts dwarrelden de nagloeiende stukjes stookhout als vuurvliegjes door de lucht. Ook in hun nieuwe woonplaats Yogyakarta viel van alles te ontdekken. Maar wat Winayaka vooral is bijgebleven, zijn de schietpartijen tijdens de onafhankelijkheidsstrijd, waarbij zijn broer huilend onder tafel zat. Op een dag werden zelfs in hun straat een paar Indonesische vrijheidsstrijders doodgeschoten. De Nederlandse soldaten lieten de lijken ter plekke als waarschuwing achter. Yogyakarta was toen net ingenomen door de Nederlanders. Vlak erna vertrok de familie in konvooi richting Semarang.

Semarang werd de thuisbasis voor de familie. Na de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 opende vader zijn eigen Advocaat & Procureurskantoor. Eind jaren vijftig stopte hij tijdelijk om als burgemeester te werken, waarna hij in 1960 weer zijn loopbaan als jurist voortzette. Winayaka, inmiddels twintig, verliet een jaar later het ouderlijk huis om net als zijn broer in Bandung aan het ITB een ingenieursopleiding te volgen. Tijdens zijn studie gaf hij ook Engelse les, om zo zijn steentje bij te dragen aan de opbouw van de jonge natie. Hij sloot zich ook aan bij de links onderwijzersvakbond PGRI-Non Vaksentral.

1965

Winayaka’s jeugdig activisme bracht hem na de vermeende coup in 1965 in de problemen. Het leger verdacht Winayaka van medeplichtigheid aan de coup en pakte hem op, evenals zijn broer. Toen Winayaka enkele maanden later werd vrijgelaten, besloot hij onder te duiken. Zijn broer zat nog vast en zijn vader, die tijdens de coup in China op bezoek was, kon niet meer terug omwille van zijn eigen veiligheid. Winayaka ging in het afgelegen Djatiluhur aan het werk bij de bouw van een huizenproject voor bewakers van de watersluizen. Na een paar jaar verhuisde hij naar Jakarta waar hij ook nog een tijdje in de bouw werkte, totdat hij genoeg geld gespaard had om naar het buitenland te vluchten.

In september 1969 vertrok Winayaka naar Duitsland, een land waar hij zich zonder visum kon vestigen én als student kon werken. Hij belandde in München, waar hij met hulp van een Indonesische student een baan vond als “Hilfsarbeiter” in de bouw. Na het werk ging hij nog als bordenwasser aan de slag in een lokaal Indonesisch restaurant. Tussendoor werden alle Architectuur afdelingen van Universiteiten aangeschreven. Na twee jaar kon hij terecht op de universiteit van Stuttgart. Daar ontmoette hij zijn latere vrouw Juliani, een Indonesische, die daar ook studeerde en werkte.

Retourtje Nederland

Toen Winayaka eenmaal veilig in Duitsland zat, zijn broer was vrijgelaten en haar jongste kind de middelbare school had afgerond, kon moeder Trudy haar koffers pakken. Ontgoocheld keerde ze in 1972 met haar tienerdochter terug naar Nederland, waar ze een tijdje bij vrienden in Amsterdam woonde. Haar dochter kon terecht in het Binnengasthuis om intern een opleiding verpleegkunde volgen. Moeder verhuisde naar haar geboortestad Den Haag en later naar Voorburg, waar ze eindelijk werd herenigd met haar man, die al die tijd als banneling in China had gewoond. Hij stierf in 1977. Na zijn dood verhuisde Winayaka’s vrouw Juliani naar Nederland, Winayaka zelf volgde een jaar later nadat hij werk had gevonden. In 1980 verhuisden ze van Voorburg naar Utrecht, waar ze nog steeds wonen, evenals hun twee zonen en kleindochter. De broer van Winayaka is met zijn gezin altijd in Indonesië gebleven. Hij overleed in 2005, twee jaar na de dood van moeder Trudy.