Op 1 januari 1947 zetten de vier Amsterdamse vrouwen voor het eerst voet aan wal in de Indonesische archipel, een verdeeld land, waar zowel het Nederlands bestuur als de Republikeinse regering een deel van het territorium in handen heeft. De vrouwen reizen meteen door naar de Republiek, naar Yogyakarta, waar Dolly en de zussen Kobus afscheid van elkaar nemen. Maar niet voor lang. In het Oost-Javaanse Malang treffen Dolly, Miny en Annie elkaar weer, enkele maanden voordat de stad bij het eerste Nederlandse militaire offensief in juli wordt ingenomen. Betsy blijft met man en moeder in Kalisat, maar als de Nederlanders daar binnentrekken zijn zij al onderweg naar Yogyakarta. na negen maanden,  in het voorjaar van 1948, verhuizen ook zij naar Malang. Dolly is dan net op weg naar Solo, waar ze getuige is van het tweede militaire offensief in december 1948. Een jaar later kunnen ze eindelijk  het einde van de onafhankelijkheidsstrijd vieren; het voelt als een nieuw begin. Eindelijk kunnen ze aan hun toekomst gaan werken, in Jakarta en in Surabaya. Het is flink aanpakken, maar er is ook ruimte voor gezinsuitbreiding, voor sporten en feesten. Toch durft Dolly’s familie de geplande migratie niet aan, omdat de politieke spanningen tussen Nederland en Indonesië weer oplopen. Indonesië nationaliseert de Nederlandse bedrijven en eist Nederlands Nieuw-Guinea op. Ook intern lopen de spanningen op, vanwege de economische malaise en de politieke machtsstrijd. Een vermeende communistische coup in 1965 ontketent een bloedbad. Soekarno moet plaatsmaken voor Soeharto. En dat alles heeft ook zijn weerslag op het leven van Dolly, Miny, Annie en Betsy en hun gezinnen.